Maandelijks archief: juni 2016

Beste Kiza

colorisme

Beste Kiza,

Met grote interesse heb ik het stuk ‘Het monster is niet alleen de witte man’ van jouw hand gelezen. Ik moet zeggen dat ik het na de opvallende titel wel even opkeek toen ik je zag aanvangen met wat ik niet anders kan omschrijven dan een vrij karikaturale omschrijving van het ‘antiracisme kamp’, waar ik moeite heb herkenning in te vinden; een feestelijke en gezellige stemming van een groep waar consensus in bereikt is. Er is geen consensus en al was er consensus is dit niet het overgesimplificeerde ‘de witte man is een monster dat gebroken moet worden’. Iets waar jij van op de hoogte moet zijn gezien je verwijzing naar structuren en de verhouding daarvan met de persoonlijke schuldvraag en intentie van individuen.

Tuurlijk, ik begrijp waar je op doelt en waar je naar verwijst maar om je betoog te starten met een onjuiste weergave van het landschap op aanmatigende toon is niet aan te raden. Persoonlijk ben ik een fervent voorstander van kritische beschouwing gepaard met zelfreflectie, maar dan graag wel gebaseerd op sterk onderbouwde feiten. Woorden als ‘gezellig’ en ‘feestelijk’ om een collectief aan te duiden dat racisme bestrijdt -door zich te richten op overmatig politiegeweld, traumatiserende beeldvorming en emotionele en fysieke schade die men oploopt vanwege racisme-  dragen bij aan een impliciete diskwalificatie van de omschreven groep. Om het geheel dan nog, in navolging van typeringen als ‘militant’ in de pers etc., als ‘leger’ te omschrijven onderstreept dat impliciete diskwalificeren. Ik kan mij maar moeilijk voorstellen dat je met zo’n binnenkomer tracht de stem van rede te zijn. Een stem die solidariteit, niet alleen intersectioneel denken maar ook het zijn, moet uitdragen. Misschien ben ik op dit punt al persoonlijk te verontwaardigd geraakt door de toon die gezet is, maar de omschrijvingen van Helper Whitey en Whitesplaining konden mij ook al niet bekoren. Echter, dat is bijzaak.

Nadat je op aanmatigende toon een vrij simpele analyse neergezet hebt over de antiracisme beweging verzeker je ons met de zinsnede: ‘Dit essay heeft geen enkele intentie om het breken van de witte man goed te praten of af te keuren.’, van je neutraliteit in de grote racismevraagstukken die ons land treffen. Om dan vervolgens direct met gestrekt been in te zetten op een marginale kwestie voor Afro-Nederlanders. Dit doet mij vermoeden dat de geadresseerden van je essay niet de leden van de antiracisme beweging zijn, maar haar tegenstanders. Of anders de lichtelijke met de antiracisme beweging geïrriteerde massa. Het is niet mijn intentie om hier het oordeel juist of onjuist aan op te hangen, ik wil het alleen bespreekbaar maken.  Want wanneer sommigen observeren vergeten zij vaak dat zij ook geobserveerd worden. Mijn observatie in deze is dat hetgeen je als onbesproken bestempelt en problematiseert een gegeven is dat al langer en breder dan alleen in de Nederlandse antiracisme setting aangekaart wordt, het racisme onder mensen van kleur onderling. Zwarte moslims spreken zich al jaren uit, Arabische moslims spreken hun eigen achterban aan en geleerden wijzen expliciet op Koranverzen die racisme verbieden. Nee, het is bij lange na niet genoeg en het racisme is zeker nog in sterke mate aanwezig maar wat het niet is, is onbesproken.

Als rechtstreekse afstammeling van tot slaaf gemaakten (die door toedoen van Arabische, Afrikaanse en Europese actoren zich nu als lid van een gemarginaliseerde groep bungelend aan de onderkant van deze maatschappij bevindt) ben ik mij uitermate bewust van de rol van alle actoren die daaraan hebben bijgedragen. Dat hoeft door geen één van die actoren duidelijk gemaakt te worden met verwijzing naar de ander. Ik zei net ‘met gestrekt been op een marginale kwestie voor Afro-Nederlanders’ maar laat ik het dichter bij mijzelf houden. Ik acht de Arabische slavenhandel en racisme onder Marokkanen en Turken van ondergeschikt belang vergeleken bij de grotere racismekwesties die mij treffen in dit land. Niet omdat de Trans-Atlantische slavenhandel erger was, wat wel degelijk het geval was, maar vanwege waar we wonen en de context van Nederland. Racisme en bijbehorende structuren, opvattingen en gedragingen komen voort uit het zelfbeeld en het beeld van de ander. In Nederland is dit zelfbeeld (en het beeld van de ander) ontstaan uit de concrete handelingen en overtuigingen (van Nederland zelf) die, gedeeld met omringende samenlevingen, bijgedragen hebben aan systematische -in cultuur, wetenschap en religie verankerde- denkbeelden. Het klopt ook dat deze denkbeelden niet alleen voorbehouden zijn aan witte Nederlanders. Toch,  hier komt het, zij zijn wel de eerste waar wij op moeten richten, als je het mij vraagt. Ik zal proberen te verduidelijken waarom. Intersectionaliteit is een mooi en verhelderend begrip maar ik heb ten aanzien ervan een wellicht controversiële mening. Namelijk, dat het niet bevorderlijk is in het afbreken van structuren om alles tegelijk te willen doen. Naar mijn mening moet er kritisch gekeken worden naar welke stap in het dekoloniseren van onze maatschappij helpt de volgende stap in dat proces te realiseren. Zo ook in de relatie Racisme versus Colorisme. Begrijp mij niet verkeerd, racisme tussen allochtonen onderling en colorisme is wel degelijk een probleem, doch niet een probleem dat wij mijn inziens moeten prioriteren boven onze andere problemen. De antiracisme beweging in Nederland richt zich voornamelijk op het ontmantelen van institutioneel racisme en hoe je het ook wendt of keert de macht die dat in stand houdt is wit.

In Nederland is racisme, naar de regels van de seculiere democratische rechtstaat, verboden en dit wordt aan de oppervlakte ook zo uitgedragen. De strijd die nu gevoerd wordt is er niet eentje voor het codificeren van rechtsregels of afdwingen van (grond)rechten op dit gebied. Die strijd is al geleverd. Waar nu om gestreden wordt is de intrinsieke morele verplichting die wij allen zouden moeten voelen om elkaar gelijk te behandelen en te bejegenen gemeengoed te maken. De strijd om het doen wat juist, omdat het juist is. In deze strijd worden obstakels opgeworpen door de uitwassen van wat Robin Diangelo White Fragility noemt en Professor Wekker in de Nederlandse context omschrijft als Witte Onschuld. In deze fase van de strijd, in Nederland, moet  mijn inziens het voornaamste doel zijn de grootste groep, de dominante groep, de witte Nederlanders, zo ver te krijgen dat er een breed gedragen en uitgebreide blik ontstaat op wat racisme is in al haar facetten en verschijningen. Colorisme daar aan ondergeschikt maken is niet hetzelfde als het goedpraten van colorisme, of het ophouden van schijngezelligheid op dit punt. Als wij racisme door het bovenstaande marginaliseren in onze samenleving ontnemen wij ook de racisten in onze eigen sub-gemeenschappen de voedingsbodem die zij nodig hebben om te gedijen. In tegenstelling tot wat men ons wil doen geloven integreren allochtonen groepen wel degelijk en nemen wij zeer zeker Nederlandse normen en waarden over.  Als wij als allochtonen dan ook nog eens een aandeel hebben in deze normen en waarden zullen die zeker langs alle etnische lijnen navolging vinden.

Natuurlijk zullen er in landen van herkomst racistische sentimenten blijven bestaan, maar dat is voor die maatschappijen om mee te worstelen. Ik kan alleen maar hopen dat wat wij als samenleving met elkaar bereiken als een olievlek navolging vindt in landen van herkomst. Intersectioneel denken moeten we zeker blijven doen maar intersectioneel handelen, als in zaken tegelijk en door elkaar heen aanpakken, moet wat mij betreft tegen de lat van praktische toepasbaarheid gelegd worden teneinde idealisme effectiviteit niet te laten ondermijnen.

 

Hoogachtend,

Roderick

 

 

 

Vrijheid van Meningsuiting 

1280x720-7wy
Toen Fortuyn opkwam in 2001 en de boel op stelten zette met zijn Puinhopen van 8 jaar Paars was ik verontwaardigd door wat er gesteld werd. Niet dat ik het boek gelezen had, maar de strekking was vrij duidelijk. Alles wat ervoor gezorgd had dat ik als allochtone jongere kansen kreeg was opeens het aller slechtste wat het land ooit overkomen was. De multiculturele samenleving was mislukt en Nederland ging gebukt onder alle bijstandstrekkende allochtonen. Dat we niet altijd even gewenst waren, dat wist ik. Maar mislukt? Het ergste wat het land overkomen was? Hadden we het dan zo bont gemaakt? Misschien was over auto’s heen lopen onderweg naar huis van de kermis toch niet zo’n goed idee.

Voor en tijdens deze periode begon ik mij lichtjes te interesseren in de politiek. Ving hier en daar wat op en Lubbers en Kok grossierden in de statigheid van Ministers van Staat (ja, ik had een veel te romantisch beeld). Andere politici kende ik amper, van Hirsch Ballin pronkte ooit een cartoon in de High Times maandblad van mijn stiefvader maar meer niet. Wat ik wel eerder meekreeg was dat er ene Janmaat van de Centrum Democraten allerlei racistische dingen riep. Ondanks de vrijheid van meningsuiting werd dit door de overheid aan banden gelegd. Ik berustte mij in de overtuiging dat in een beschaafd en ontwikkeld land zoals Nederland zulke sentimenten nooit echt voet aan de grond zouden krijgen. Niet meer. Tuurlijk, er waren mensen die het eens waren met Janmaat maar die zaten in de marge. Vreemde vogels die we maar moesten negeren. Intussen had ik natuurlijk al op de basisschool gehoord van de vrijheid van meningsuiting. Van het verschil tussen ‘je bent een klootzak’ en ‘ik vind je een klootzak’. Een groot goed, dat alleen beperkt werd door de toen nog hoog in het vaandel prijkende tolerantie en de heersende positieve vooruitzichten en Zeitgeist.

Gaandeweg de eeuwwisseling begon de economie terug te lopen, de euro werd ingevoerd en mensen merkten het in hun portemonnee. Lontjes werden kort. Zondebokken werden gezocht, en gevonden. Ik heb ergens opgevangen dat tegenslag een goede graadmeter is voor karakter, dat is inderdaad zo gebleken. Het is geen toeval dat in heel West-Europa aan beide zijden van het spectrum dezelfde sentimenten geuit worden. Enerzijds dezelfde hoop en geloof in het samen maken van de samenleving versus anderzijds het zichzelf wentelen in slachtofferschap en de vermoorde onschuld. Dat laatste gaat steeds meer gepaard met agressieve en gewelddadige uitingen. Dit is onder meer het gevolg van een in de volksmond steeds verder uitbreidende (onjuiste) betekenis die gegeven wordt aan de vrijheid van meningsuiting die aan (en door) de massa, in een waan van verontwaardiging, een verlies van een niet bestaand privilege propageert. Frappant genoeg zijn het de ultranationalisten die invloed vanuit Europa vervloeken die zich in dit opzicht -zij het vanuit een verkeerd begrip- het meest beroepen op de verworvenheden van de Europese integratie. Onze grondwet kent de formulering ‘vrijheid van meningsuiting’ namelijk niet. Artikel 7 van de Grondwet (GW), het artikel van de Grondwet dat men hierbij in gedachten heeft, is het artikel dat het vereiste van voorafgaand verlof (preventieve maatregelen vanuit de overheid) voor uitingen via de drukpers (en andere uitingsmiddelen) uitsluit, waar de vrijheid van meningsuiting van afgeleid wordt. Het is artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dat de expliciete bewoording ‘een ieder heeft het recht op vrijheid van meningsuiting’ bevat en waar de bescherming van het artikel reikt tot een zekere vorm van overdrijving waar zelfs een bepaalde mate van provocatie onder valt. Maar zelfs het ruimere artikel 10 EVRM geeft, net als artikel 7 GW, rechtmatige beperkingen die volgens wet gesteld kunnen worden (er zijn meer artikelen maar dit zijn de belangrijkste). Niet alleen de strafrechtartikelen voor belediging, smaad en laster vallen onder de toegestane beperkingen maar ook lagere regelingen, ongeschreven regels en beroepscodes, mits voldoende toegankelijk. Dit geldt niet alleen voor de verticale werking (overheid – burger) maar ook voor de horizontale werking (burgers onderling) die in artikel 7 GW wederom beperkter van aard is dan bij een beroep op artikel 10 EVRM.

Op hetzelfde moment dat de ‘ongebreidelde recht van belediging’ versie van de vrijheid van meningsuiting verdedigd wordt, tonen de gegriefde reacties op een algemene aanspraak door ‘streepjes-Nederlanders’ op de vrijheid van meningsuiting (zoals deze daadwerkelijk bedoeld is), feilloos waar het pijnpunt zit. Het pijnpunt zit hem in gelijke bejegening. Het zal waarschijnlijk moeilijk zijn om, in een wereld waar je als standaard en norm genomen wordt voor alles wat goed en fijn is, van hen te horen die dat in jouw (onbewuste) overtuiging niet zijn, dat je dat niet bent. Dat er niks speciaals aan je is, dat je gewoon een mens bent en ondanks al je individualiteit net als alle andere mensen een product bent van je maatschappij en de maatschappij van onze geschiedenis. Dat de vele opvattingen die je hebt over anderen, die geuit worden in grapjes, sneren en verwensingen over die anderen, voor die anderen (die niet zijn wat jij bent), ketens uit het verleden symboliseren en continueren. Dat je verongelijkte gevoelens -die ongecontroleerd boven komen drijven wanneer ‘de verkeerde’ aan zijn of haar irritant goed onderbouwde mening uiting geeft- voortkomen uit een overtuiging daar boven te staan en niet onderworpen te hoeven worden aan zulke ongemakken. Dat jouw gedrag onmogelijk door de ‘koffiejuffrouw’ en de ‘schoonmaker’ met dezelfde middelen en begrippen die jij inzet bij anderen geanalyseerd kan worden. Want jij bent wit. Onderbouwde argumenten? Een ‘nietes’ volstaat. Emeritus Hoogleraar? Positieve discriminatie. Cijfers, rapporten en verklaringen? Linkse propaganda, tenminste als zij de schuld niet bij etniciteit leggen. Als er al onverhoopt tussen de verwijzingen naar een genetisch criminele of een van nature luie aanleg een argument van enige waarde wordt geformuleerd, wordt dit gedaan onder valse voorwendselen en vanuit verkeerde vooronderstellingen. Valse voorwendselen die voortvloeien uit het eigen rigide en ongenuanceerde wereldbeeld doorspekt met zelfmedelijden. Het wentelen in slachtofferschap. Introspectie en zelfreflectie wordt van anderen geëist maar ontbreekt volledig op de eigen ‘nog te doen’ lijst. Net als bij de interpretatie van het recht op vrije meningsuiting ontbreekt het vermogen om te schakelen tussen algemene bewoordingen, specifieke omstandigheden per geval en uitzonderingen op de regel.

De reden waarom Zwarte Piet symbolisch zo goed past bij de hele racismekwestie in Nederland is het gemak waarmee parallellen getrokken kunnen worden voor het geheel. Zo ook hier. Het verwijt ‘Zwarte Piet is racisme’ aan de maatschappij wordt ondanks het ultieme geloof in individualisme gezien als een persoonlijke aanval. Net zoals de uitspraak ‘Nederland is een racistisch land’. Dat Nederland als geheel racistische denkbeelden reproduceert uit de koloniale tijd maakt de individuele Nederlander niet per definitie schuldig, of een racist. Het maakt ons wel allen verantwoordelijk voor het oplossen ervan. Wat je wel een racist maakt is het vooraf diskwalificeren van wetenschappers of (kandidaat) politici op hun uiterlijk of afkomst, denigrerende taal bezigen tegen onbekenden op dezelfde grond en het gebruik van racistische stereotyperingen om te kwetsen omdat je een discussie aan het verliezen bent. Het inzetten van je sociale positie en podium om snerende  columns te schrijven over hen die geen vergelijkbare podia hebben om te reageren, om vervolgens zelfvoldaan achterover te leunen in de gedachte ‘zo, die heb ik even op hun plek gezet’. Wat je een racist maakt is het aanhoudend bagatelliseren van racisme in dit land terwijl bij elke onwelgevallige mening van een niet in de pas lopende allochtone bekendheid, of een ‘land verradende’ autochtoon, de ‘apen, geiteneukers, uitkeringstrekkers en (zand)negers’ ons om de oren vliegen. Ik heb niet de illusie dat dit stuk indruk zal maken op de in perpetuele slachtofferschap wentelende witte racisten wiens gevoelens zo gekwetst worden door de inzet van de sociale wetenschap dat zij hele universiteiten afschrijven, maar irriteren zal het ze wel. Ik, en velen met mij, (zwart en wit) hoef namelijk niet racistisch en denigrerend te zijn om mijzelf beter te voelen dan een ander. Het beperkte redeneringsvermogen gepaard met kinderachtige emotionele uitbarstingen die wij dagelijks mogen aanschouwen doen al genoeg voor ons.

Oververtegenwoordigd

Anti Crimi

Als sinds ik een tiener was, of zelfs jonger, heb ik meegekregen dat Antillianen crimineel zijn. Niet zomaar crimineel maar sterk crimineel. We zouden er aanleg voor hebben.  Hele families doen aan louche zaken en als je onverhoopt een Antilliaan tegenkwam die dat niet was, was die de uitzondering die de regel bevestigde. Hoe hardnekkig dit beeld is heb ik zelf ondervonden. Ik geloofde erin. Ik leefde ernaar. Retoriek is verleidelijk en voor jongeren, vooral uit minderbedeelde milieus, is criminaliteit aantrekkelijk. Gangsterrap en misdaadfilms schetsen ook een romantisch beeld van een aanlokkelijke criminele carrière die zelfs als het misgaat een eervol en mannelijk einde biedt. Sterven in een ‘blaze of glory’, staand op je voeten in plaats van nederig op je knieën je weinig benijdenswaardige lot aanvaardend. Op beïnvloedbare jongeren gaat de nuance van de artistieke uiting in muziek en films vaak verloren. Net als jonge voetballers met het geloof de nieuwe Messi of Ronaldo te worden, fantaseren andere jongeren de nieuwe Escobar of de nieuwe Tupac te zijn. Natuurlijk met alle pieken maar zonder de dalen. Zodoende vervagen grenzen en raken oorzaak en gevolg verward met elkaar. Negatieve zelfbeelden versterken elkaar en vooroordelen en stereotypen worden geijkt.

Een stellige uitspraak die ik vaak voorbij heb horen komen is dat het land overspoeld wordt met criminele Antillianen. Hele wijken zouden vol zitten met werkloze, bijstand trekkende, criminelen uit de Caraïben. In Nederland wonen een kleine 150.000 Antillianen. De werkelijkheid is dat van deze relatief kleine groep iets minder dan 20% werkloos is (3x zoveel als bij autochtonen, doch niet de overweldigende meerderheid die ons keer op keer wordt voorgeschoteld) en een significant gedeelte is dat redelijk recent door de crisis en de aanhoudende kwakkelende economie geworden. We horen bij de eersten die ontslagen worden en de laatsten die aangenomen worden. Over vaste aanstellingen niet te spreken. Of dat nou racisme is of ‘onbekend maakt onbemind’, werkgevers nemen liever geen risico’s en laten zich vaak sturen door hardnekkige denkbeelden die maar matig door cijfers of zelfs persoonlijke positieve ervaringen getemperd kunnen worden.

MLB anti's

Antillianen zijn oververtegenwoordigd in de misdaadstatistieken. Afro-Nederlanders zijn oververtegenwoordigd in de misdaadstatistieken. Niet-westerse allochtonen zijn oververtegenwoordigd in de misdaadstatistieken. Maar wat betekent die zin nou eigenlijk? Wanneer politici zoals Habe Zijlstra zulke uitspraken doen om etnisch profileren door de politie te verdedigen is het van belang om te weten of wat er gezegd wordt ook strookt met wat er bedoeld wordt.  Wat er gezegd wordt is namelijk dat in vergelijking met autochtonen er procentueel meer leden van de andere groep verdacht worden (‘verdacht’ is hier belangrijk maar daar kom ik later op terug) van criminele activiteiten. Dat is namelijk wat ‘oververtegenwoordiging’ betekent.  Maar wat er bedoeld wordt is wat anders, bij mij is er weinig twijfel dat wat er bedoeld wordt is dat er meer niet-autochtone criminelen (met name van de ‘donker’ en ‘licht getinte’ varianten) rondlopen dan autochtone, dus dat legitimeert alle donker en licht getinte Nederlanders nauwlettend te volgen en te beoordelen louter op kleur. Dit is racisme, mensen op raciale kenmerken beoordelen en in staat zijn over deze groep macht uit te oefenen en dit ook te doen door deze groep anders te bejegenen dan andere groepen in de samenleving, is het schoolvoorbeeld van racisme. Discriminatie gegrond op ras + systematische machtsuitoefening om die discriminatie te bewerkstelligen = racisme.

Dan maakt het niet uit of er oververtegenwoordiging is en hoe groot deze oververtegenwoordiging is, in Nederland is het strafrecht nog altijd gegrond op een onschuldpresumptie en discriminatie op grond van ras is nog altijd niet toegestaan. Dan kan ik wel met cijfers gaan strooien om te illustreren hoe belachelijk, ineffectief en disproportioneel etnisch profileren is ten aanzien van het bestrijden van misdaad, maar dat zou eigenlijk niet moeten hoeven. Het bovenstaande zou, zoals onze rechtstaat betaamt, voldoende moeten zijn om dergelijke praktijken achterwege te laten. Maar onze rechtstaat is ziek en de kwaal is institutioneel racisme. Daarom hier toch wat simpele berekeningen over de situatie van Antillianen (vergelijkbare berekeningen kunnen voor alle niet-westerse[1] allochtone groepen gemaakt worden).

Het klopt dat Antillianen boven aan de lijst pronken van verdachten. Van de 150.000 Antillianen worden volgens recente cijfers (globaal en afgerond) van het CBS tussen de 6 en 8% gemiddeld verdacht van criminele activiteiten.  Dat komt uit, over heel Nederland verspreid, op maximaal 12.000 personen (een getal dat steeds verder dalende is). Van de 15.000.000 autochtonen wordt 1 – 1,5% verdacht van criminele activiteiten. Dat komt neer op minimaal 150.000 personen. De kans dat je dus een autochtone crimineel tegen het lijf loopt is 12x groter dan dat je een criminele Antilliaan treft. Het bovenstaande in overweging nemende moet we ons ook nog eens afvragen hoe iemand verdachte wordt en hoe vaak een groep gecontroleerd wordt. Het is natuurlijk logisch dat als er meer lieden van één groep vaker gecontroleerd worden dat er vaker bij die groep ook wat aangetroffen wordt dat het daglicht niet kan verdragen dan bij de groep die maar sporadisch gecontroleerd worden. Ook moet de vraag gesteld worden wat er eerst was, de verdachtmakingen of de misdaden? Zoals ik in het begin van dit stuk aangestipt heb, het is een vicieuze cirkel. Naarmate een groep steeds verder gecriminaliseerd wordt, des te meer de groep zich deze identiteit kan gaan aanmeten.  Zeker wanneer andere opties tot ontplooiing en sociaal stijgen geblokkeerd worden door vooroordelen die weer bevestigd worden door cijfers die ontstaan door overmatige controles gevoed door, jawel, vooroordelen. Ook wordt door de focus op verdachten en minder op veroordeelden de oververtegenwoordiging, die er zeker is, opgeblazen. Deze cirkel kan alleen doorbroken worden als autoriteiten voorgaan in het gelijk behandelen van alle burgers. Dit zijn geen nieuwe inzichten, maar het zijn inzichten die hedendaags overstemd worden door racistisch populisme aangevoerd door de Grote Blonde Leider waar steeds meer politieke partijen uit angst voor zetelverlies zich steeds meer mee vereenzelvigen.

1311_rap_etnprof

Vandaag zijn we weer geconfronteerd met een zaak waarbij een jonge Afro-Nederlander is doodgeschoten door de politie. Hij bleek ongewapend en de voorlopige details doen weer een tragisch drama vermoeden als gevolg van overmatig geweld door de politie (er zijn minimaal 6 schoten gelost) bij een mogelijk verwarde jongen. Ik vraag me af in hoeverre vastgeroeste percepties van zwarte jongeren een aandeel gehad hebben in zijn dood. Het moet benadrukt worden dat het absoluut geen makkelijke zaak is voor agenten om binnen luttele seconden gevaar in te schatten en te handelen in kwesties van leven en dood. Maar we kunnen de lat op geen enkele wijze lager leggen dan onze huidige wetgeving vereist noch kunnen we gedogen dat de wet niet naar de letter uitgevoerd wordt door haar handhavers. Dit is wat een rechtstaat is, liever 10 criminelen op vrije voeten dan één enkele onschuldige dood. Als blijkt dat onze agenten de zware taak die zij hebben niet aankunnen moeten wij beter selecteren en opleiden, maar ook ontlasten, financieren en ondersteunen. Zodat zij hun werk naar behoren kunnen doen. Daarom hebben wij als volk het geweldsmonopolie bij de overheid neergelegd. Zodat daar door bekwame personen, volgens vaste procedures die onze veiligheid zo goed mogelijk trachtten te bewaken, gebruik van wordt gemaakt. Zodat Rishi niet doodgeschoten wordt terwijl hij bang wegrent en Mitch niet gewurgd wordt met de dood tot gevolg omdat agenten zich geprovoceerd voelen. Sommigen denken dat wij (zij die ageren tegen overmatig politiegeweld) het erom doen. Dat we weer een zaak hebben om ‘racisme aan op te hangen’ en de politie te demoniseren. Het tegendeel is waar. Gisteren hoopte ik vurig dat het geen zwarte jongen, geen Antilliaan, was die doodgeschoten is en als het wel zo was dat er een te begrijpen aanleiding voor was, dat hij met een wapen zwaaide en een gevaar was voor anderen. Niet omdat ik liever een witte jongen doodgeschoten zie worden of vind dat verdachten ter plekke geëxecuteerd dienen te worden, maar omdat ik het liever heb dat wij die protesteren tegen etnische profilering en institutioneel racisme het fout hebben, dat wij overdrijven. Liever dat dan dat er weer een leven ontnomen wordt waar dat niet gehoeven had als we eerlijk tegen elkaar zouden zijn in het aankaarten van (en het voordragen van oplossingen voor) onze maatschappelijke problemen. Als we echt oplossingen willen vinden dan moeten we kijken naar wat de gemene deler is tussen alle criminelen. Dan kom je uit op sociaaleconomische omstandigheden, toekomstperspectieven en maatschappelijke acceptatie van de ‘ander’. Dit weten we, laten we er ook naar gaan handelen.

[1] Antillianen met een westerse levensstijl, grotendeels katholiek en letterlijk liggend in het westen als niet-westers omschrijven en Indonesiërs en Japanners weer wel, is nonsens.

Update 04-10-2016: Naar aanleiding van een nieuwe verschenen rapport over etnisch profileren schreef sociaal-wetenschapper Sinan Çankaya enkele kritiekpunten